| ‘OPIUM’
(AVRO), RADIO 1, 14 juli 2007 (met Arjan Peters):
“Je
treedt heel veel op in zalen. Je bent dus niet iemand
die zich jarenlang terugtrekt en dan een (studio-)cd uitbrengt.
Is dat een bewuste keuze?”
“Ja. Optreden brengt veel bij mij naar boven. Het
bevordert mijn groei. De ontmoeting met het publiek is
voor een artiest het belangrijkste, denk ik. Het geeft
waanzinnig veel energie. En ook veel informatie over hoe
je bent, wie je bent… Elk concert is als een proefsteen.”
“Wat
gebeurt er dan, waardoor dat samengaan van de uitvoering
en het publiek iets extra’s oplevert?”
“Ik denk dat het de genade van het moment zelf is.
Het moment dat geen alternatieven toelaat: het is zo en
niet anders. Elke keer is uniek. Muziek leeft pas wanneer
zij gedeeld wordt met het publiek. Dat is pas het echte
leven van een muziekstuk.”
“Er
zit ook een gevaartje aan, want het kan ook wel eens misgaan…
Dat is dus ook het moment. Maar is dat juist ook iets
dat trekt? Dat het ook wel eens niet kan lukken?”
“Ja, absoluut. Ik denk dat dat de charme en de kracht
van dit beroep is. Het is niet inwisselbaar, niet herhaalbaar,
er zijn geen ‘generale repetities’. Alles
is voor de eerste keer.” [..]
“Ik
kan me ook een ‘vijandige’ zaal voorstellen,
een zaal die er niet zoveel zin in heeft, een ‘abonnementenpubliek’…
Die hebben misschien eigenlijk wel wat anders te doen,
en het is mooi weer en… ‘nou ja, dan gaan
we maar...’ Hoe ga je zo’n publiek ‘te
lijf’?”
“Ik denk dat het voor een musicus veel belangrijker
is dat hij of zij van het publiek houdt, dan dat het publiek
van hem of haar houdt. Dat is het enige dat helpt, in
dit soort gevallen. Wanneer je een bepaalde weerstand
voelt, om dan toch voorop te zetten: ‘Ik houd van
het publiek!” Als je je zo opstelt, verandert men
onmiddelijk.”
“Hoe
gaat dat dan? Je hebt een onwillig pubiek, en jij hebt
de houding: ‘Ik houd tóch van u’, en
dan merk je dat het verandert…”
“Omdat ik muziek als werktuig heb. Ik ben niet alleen.
Het zou veel moeilijker geweest zijn als ik een sprekend
beroep had gehad. Maar helemaal eenzaam ben ik niet: ik
heb een hele wereld voor mij en ik praat als het ware
ook met de componist, met andere aanwezigheden. Dat alles
is zo’n geweldige bescherming! En een bron van kracht.
En dat doet het publiek veranderen. Dat zet weerstand
in ontvankelijkheid om. Dat heb ik vaak meegemaakt.”
[..]
“Die
Prelude van Rachmaninov, opus 23 nr. 5, is eigenlijk een
stuk in één beweging, [..] een cyclische
vorm. Gooi je het er ook in één beweging
uit?”
“Ja, als het goed gaat wel. De muziek van Rachmaninov
is een urgente muziek. Bij Brahms, Chopin en Schumann
fluctueert de muzikale gedachte tussen verleden en heden,
tussen droom en werkelijkheid. Bij Rachmaninov is alles
nu, niet gisteren en niet morgen. Dat eist volledige aanwezigheid
en overgave op dit moment. Dus: in één adem…”
[..]
“Wat
vind je van Glenn Gould, de legendarische Canadese pianist
die op een zeker moment besloot om [..] niet meer voor
publiek op te treden? [..] In zijn afgelegen studio opnamens
maken, perfectioneren; geluiden oppoetsen e.d., waardoor
er een bijna abstract muziekstuk ontstond?”
“Het is misschien niet zo abstract als het lijkt.
Ik denk dat de huidige platenindustrie veel abstracter
is dan wat Gould deed. Het was niet simpelweg het nastreven
van perfectie. Om niet te vergeten: hij heeft veel concerten
gegeven, en toen hij besloot om één kant
van het concertleven vaarwel te zeggen, was dat een heel
bewuste en diep doorleefde keuze. Het had niet zozeer
te maken met zoeken naar perfectie. Ik denk dat zijn type,
zijn ‘extase’, zich het beste kon ontplooien
in een studio, zijn terrein, waar hij, met alleen goede
mensen om zich heen, zijn gang kon gaan. En niet door
het concertleven te leiden, van stad naar stad te reizen,
vandaag dit programma te spelen, morgen wéér
dit programma… Dat heeft hij in een documentaire
ook mooi onder woorden gebracht. Wat dat betreft is hij
beslist niet mijn tegenpool.”
“Je
tegenpool is dus meer die huidige drang naar studio-opnames
en perfectie, die niet uit een artistiek oogpunt voortkomt,
zoals bij Gould wèl het geval was,…”
“…maar om een ‘product’ neer te
zetten dat goed in de markt valt, uit allerlei overwegingen,
en dat heeft op een gegeven moment niets meer met muziek
te maken. Het wordt inwisselbaar.”
“…Inlevingsvermogen:
György Sebök [..], jouw leermeester, zei: ‘Je
moet geen anoniem doorgeefluik zijn.’ En dat nou
juist wat je vaak hoort zeggen, zo van: ‘Het is
zo mooi…, de pianist cijfert zichzelf helemaal weg
en er staat niets meer tussen de muziek en de luisteraar
in. Maar jij zegt dus: ‘Die muziek kun je het beste
overbrengen als je jezelf nadrukkelijk wel als uitvoerder
in beeld brengt en laat horen’. [..] Je probeert
je te verplaatsen in de componist, anders dan een uitvoerder
die denkt: ‘Er is daar een componist; ik ben maar
een uitvoerder en ik speel wat daar staat…”
“Ja, wat heel essentieel is, is dat men probeert
te grijpen wat aan het notenbeeld voorafging. Wat heeft
Beethoven of Brahms zo gegrepen; wat voor stormen hebben
zij beleefd; wat voor verlichtingen hebben ze gezien…?
Dàt is belangrijk: de stemming, de emotionele wereld
van de componist vóórdat de muziek uit zijn
pen vloeide, dus vóór het papier.”
“Haal
je die kennis uit biografieën van die componisten?
Verdiep je je in hun levens?”
“Ja, dat sowieso. Maar ik denk dat je sommige dingen
in geen boek kunt lezen. In jezèlf, in je levens-
en mensenkennis, je intuïtie, dáár
is de bron van kennis, die je helpt om bij dat oorspronkelijke
gevoel te komen, dat allereerste gevoel van de compositie,
vóór dat papier.”

ZAANRADIO,
6 april 2007 (met Janine Voskamp):
[..] “Ik
geloof dat het een Zen-wijsheid is, die zegt: “Er
is geen weg naar het geluk; het gelúk is de weg.”
Dat heeft me altijd diep geraakt, en hierin lees ik ook
de woorden van György Sebök, of zijn inzichten.”
“Dit
is eigenlijk iets voor het hele leven. En wat heb je op
het gebied van pianospelen van hem geleerd?”
“Ja, dat is moeilijk om zo te ontcijferen, want
er zijn heel veel specifieke dingen. Zoals: hoe gebruik
ik mijn lichaam, mijn instrument. Want de piano is weliswaar
mijn instrument, maar mijn lichaam is mijn belangrijkste
instrument. Waar Sebök zo goed in was: hij kon als
een laserstraal in iemands mind kijken, en zien: Wat is
goed voor die persoon? Wat stoort die persoon? Waar zijn
de blokkades? Waar zijn de fricties, waardoor de muziek
niet kan kan stromen? Want muziek is in feite als een
moedertaal. Pianospelen moet niet moeilijk zijn of enorme
inspanning kosten. Het is niet gemakkelijk, maar op een
gegeven moment is het wel mogelijk dat men het als moedertaal
gaat spreken, dat pianospelen niet meer overdonderend
moeilijk is.”
“We
hadden het net over het lichaam, hè? Jan Wijn heeft
iets over jouw handen gezegd..., dat hij nog nooit iemand
had gezien die zo haar handen op de piano beweegt. Wat
is er zo speciaal aan, weet jij dat?”
“Misschien moet je dat aan hèm vragen. Ja,
hij zei volgens mij zoiets als eh..., ja, zo was het:
‘Als ik haar handen zag, dacht ik: die heeft in
een vorig leven ook piano gespeeld.’ Met andere
woorden, hij bedoelde waarschijnlijk dat ze zo natuurlijk
en zo toetsenminnend zijn. Dat ik er niet uitzie als iemand
die ‘handelt’, maar op de een of andere manier
als een verlenging/verlengstuk van het toetsenbord/klavier.
Als een eenheid. Zoiets; ik kan het moeilijk beschrijven,
omdat ik me niet zo bewust ben van wat ik precies doe.
Want in de loop van de tijd, als je er zoveel mee bezig
bent, wórdt het ook een tweede natuur. Het is zoeken
naar: wat is de meest directe weg om muziek uit te drukken?
Want daar gaat het om; het gaat uiteindelijk niet om ‘pianospelen’.
Het gaat om: hoe elimineer ik alles wat niet nodig is
om dichtbij de muziek te komen en die over te brengen.”
“Ja,
het is bijna een soort ballet dat je met je handen uitvoert.”
“Nou, ik ben blij dat het ook een beetje mooi is
om te zien.”
“En
ook je gelaatsuitdrukking.”
‘Igor Strawinsky heeft geloof ik gezegd: “Men
luistert niet alleen, maar men kijkt ook naar een concert.”
Het is niet alleen maar de auditieve ervaring; visueel
is het ook belangrijk. Niet dat men iets probeert te compenseren,
want de gelaatsuitdrukking, de manier van beleven, komt
van binnenuit, als het goed is. Het is niet iets dat toegevoegd
is. Ik hoop althans dat het bij mij niet zo overkomt.
Het is geen choreografie of zo. Het is als het ware resoneren
met de muziek, leven op dit moment. En iedere keer is
het ook weer anders: als ik morgen in een andere zaal
speel, zal het misschien een net iets andere tint hebben.
Want tenslotte ben ik iedere dag een mens: iemand die
leeft, verandert en steeds andere dingen ervaart. Dus
dat is heel afhankelijk. En iedere keer is het belangrijk
dat ik mezelf blijf. Dat ik niet iets doe om iets te doen,
als spektakel. Dat ik niet toneelspeel of iets zit te
vertellen dat eigenlijk niet geloofwaardig is. Nee, ik
moet erachter staan, en dat kan als ik mezelf blijf.“
“Is
het moeilijk om jezelf te blijven als ze over jou zeggen:
‘Zij is een Mozart-pianiste’?’
‘Integendeel: dat stimuleert mij. Als ze tegen mij
zeggen dat ik een Mozart-pianiste ben, dan word ik juist
nóg meer mijzelf.”
“En
als ze tegen je zeggen: ‘Zij is een Rachmaninov-pianiste’?
Een recensent schreef dat je het Vierde Pianoconcert met
Maris Janssons moet gaan opnemen. Gaat dat nog gebeuren?’
‘Nou, ik weet van niets. Misschien ooit. Daar heb
ik geen macht over. Het zou mooi zijn.”
“Maar
kun je nog iets meer vertellen over dat Vierde Pianoconcert,
want dat is in 1927 in de gehele versie uitgevoerd, en
daarna niet meer, heb ik dat goed begrepen?”
“Ja, klopt, want Rachmaninov heeft zelf het stuk
diverse keren herschreven en heel veel weggelaten, en
was telkens niet tevreden met zichzelf. Maar ik vind dat
zijn allereerste, originele versie echt een meesterwerk
is. Meer dan dat: echt een statement. Een statement voor
zijn leven, en ook voor die epoque, dat hele tijdsperk.’
‘Ja, dat geeft een kik, zo’n première.
Dat je met veel mensen iets kunt neerzetten als een hommage,
als eerbetoon aan zo’n groot componist.”

‘CASA
LUNA’, NCRV, RADIO 4, 10 februari 2006 (met Lex
Bohlmeijer):
“Gaat
muziek voor jou dan ook die rol vervullen, zo van: dát
is eigenlijk het paradijs?”
“Ja. Het paradijs is ook mijn vaderland. Muzíek
is mijn vaderland. Daarin voel ik mij thuis en daar zijn
geen... Laten we zeggen: als ik muziek maak, dan krijg
ik vastomlijnde antwoorden op de vragen die ik heb. Of
liever gezegd, nog sterker: er zijn geen vragen. Niet
meer.”
“Dan
ben je thuis.”
“Ja. De vragen beginnen daarna.”
“Als
de muziek verstomt.”
“Ja.”

TV
IJMOND, januari 2001:
“Om heel
eerlijk te zijn: ik zou mijn liefde voor Mozart en mijn
liefde voor Rachmaninov niet op de weegschaal kunnen zetten.
Dat is heel moeilijk. Want als ik op een bepaald concert
alleen maar Mozart zou spelen, dan zou dàt mijn
lievelingscomponist zijn. Datgene waar ik op dat moment
mee bezig ben, is het centrum van liefde. Hetzelfde geldt
voor Rachmaninov, of voor Bach, Chopin, Bartók...
Ieder van hen komt uit dezelfde bron, maar de wegen die
daar naar toe leiden, zijn anders. Vooral voor de interpreet.
De middelen zijn anders.”
“Chopin
roept bijvoorbeeld andere emoties op dan Rachmaninov.
Chopin’s fantasie beweegt zich tussen heden en verleden.
Maar bij Rachmaninov bestaat een soort van noodzakelijkheid:
alles wat zijn geest beïnvloedt moet op dít
moment uitgedrukt worden, zonder ook maar enige vertraging
of omweg. Dat is dus een wezenlijk verschil tussen die
twee, en dat beïnvloedt, dat kleurt ook mijn innerlijke
staat wanneer ik een Ballade van Chopin vertolk of een
Prelude van Rachmaninov.”

ALTOMEDIA
(Franse film over György Sebök), juli 1997:
“Ik
herinner mij een belangrijk moment. In de Grote Zaal van
het Amsterdamse Concertgebouw zou ik het Derde Pianoconcert
van Rachmaninov gaan spelen. Vlak van tevoren werd ik
enorm angstig. Ik dacht: “Dit kan ik niet!... Ik
kan straks die trap niet afdalen!... Ik kan niet spelen!
Mijn hoofd is helemaal leeg!” Ik was totaal in paniek.
Vijf minuten voor aanvang zat ik daar in mijn kamer. En
ik vroeg me af: “Waarom? Waarom deze ongelooflijke
angst?” Plotseling herinnerde ik me een utspraak
van György Sebök: “Men is bang, want men
is bang voor de dood.” Dat was voldoende om die
trap af te kunnen dalen en mezelf te bevrijden.”

TV
BELGIË, juni 2007
(met Fred Brouwers in het panel bij het Koningin Elisabeth
Concours):
“In mijn
ogen zijn de werken van Schubert ‘gesprekken met
de eeuwigheid’. De aanwezigheid van de pianist mag
niet zo voelbaar zijn. Het zijn geen Klavierstücke.”
“Ik
vind dat de muziek van Rachmaninov geslachtsloos is, om
het maar zo te zeggen. Zij is niet vrouwelijk en ook niet
mannelijk. Ze is voor alles menselijk. [..] Als ik naar
de opnamen van Rachmaninov of Horowitz van het Derde Pianoconcert
luister, dan heb ik het gevoel: zij spelen op leven en
dood. Het is een episch verhaal, als Oorlog en vrede van
Tolstoj.”

NRC
HANDELSBLAD, 21 maart 2005, (met Wenneke Savenije):
"In mijn hart heb ik me altijd een rebel gevoeld.
Een rebel met zachte handschoenen. Mijn systeem snakt
naar de vrijheid om uit te spreken waarin ik geloof. Niemand
kan je vertellen hoe Chopin gespeeld moet woren. Dat kun
je alleen maar ontdekken met je hart. Ik hou niet van
formules, want die verstikken het leven. Elk doel is een
illusie. Als pianiste probeer ik het optimale te bereiken.
Zo één te worden met de muziek, dat ik,
terwijl ik op het podium zit, het meest directe medium
word tussen de componist en het publiek. [..]”
“Zingen is zijn, zegt de dichter Rilke. Dat is het
motto van mijn nieuwe CD ‘Encores’. Muziek
wordt in vrijheid geboren en laat zich niet vangen in
de lege kooi van een studio. De kracht van muziek ligt
in de spontaniteit waarmee ze ontstaat, op dát
moment en op díe manier. Muziek is ook een gedeelde
ervaring met het publiek. Niet morgen of gisteren, maar
met de intensiteit van het nu. Daarom geloof ik niet in
knippen en plakken in de studio. Dan krijg je een klinkende
pannekoek. [..] Volgens Goethe ligt in ieder afscheid
een kiem van waanzin. Alleen wat doodgaat is levenswaardig.
Encores symboliseren dat voor mij. Een roos bloeit ook
uit, dat hoort bij het leven. In de studio is er geen
afscheid, dus ook geen leven.”
“Muziek maak je vanuit de plek waar je huilt, lacht
en bemint. Dat bepaalt hoe het klinkt.”
“[..] Het grootste wonder is Bach. Voor hem geen
internet, geen reizen, geen opwindend leven. En toch wist
hij alles van het leven. Busoni’s bewerking van
Bachs Adagio uit de Toccata BWV 564 is mijn dierbaarste
toegift. Dat heeft met Sebök te maken. In de oorlog
moest Sebök in de mijnen werken – de spinnen
kropen over zijn hoofd. De enige manier om te overleven
was ieder gevoel uitschakelen. Toen hij weer begon te
spelen, kon hij niets meer voelen. Pas toen hij dit Adagio
speelde, brak zijn verdriet en begon alles weer te stromen.”

ELEGANCE,
September 2002 (met Marion Florusse):
"Eerlijk zijn en je overgeven, vertrouwen op jezelf,
met alle risico's van dien. Het loslaten van alles: ego,
drang tot controle. Vaak heb ik het gevoel gehad dat het
lukte. Op zulke momenten ben ik een open zee; één
met de piano, één met de muziek."
"Het belangrijkste is een verbinding maken met dingen
die je niet kunt zien, omschrijven of verklaren. Muziek
maken is niet analytisch, het gaat om het gevoel dat je
íets begrijpt van de kosmos, het universum."
"Je lichaam en je handen zijn het instrument om uit
te drukken wat je geest hoort en dat is vaak heel ongrijpbaar.
Het is een botsing tussen geest en materie. Mijn grootste
zorg is alles zodanig uit te schakelen dat er niets meer
tussen mij en het klavier staat en niets tussen het klavier
en de muziek. Maar je lichaam is altijd ballast, elke
gedachte die niet met de muziek van dat moment te maken
heeft, is ballast. Voor een concert mediteer ik dan ook
om zo leeg mogelijk te worden."
"Elk doel dat je jezelf stelt is een illusie. Daarom
stippel ik ook niets uit op lange termijn. Het enige wat
ik probeer, is het optimale te bereiken en zó één
te worden met de muziek, dat ik het meest directe medium
word tussen componist en publiek."

JONAS
MAGAZINE, juni 2001 (met Wenneke Savenije):
“Inspiratie is een gevaarlijk woord, omdat het suggereert
dat er iets van buitenaf komt, alsof het een soort smaakmaker
is, zoiets als peper en zout. Maar voor mij betekent inspiratie
‘in spirit’ zijn. Het is iets van binnenuit,
een ontvankelijke toestand waardoor je één
wordt met de muziek, een overgave waardoor je je ego en
angsten kan loslaten, opdat je jezelf vrij kan maken om
te ontvangen en geven.”
“Of het nu om Bach, Chopin of Rachmaninov gaat,
het belangrijkste is dat je zonder conventies kan uitdrukken
wat er werkelijk in jezelf leeft, terwijl je tegelijkertijd
intuïtief de emoties probeert aan te voelen die de
muziek wil verklanken.”
“Van je hoofd tot aan je hart is maar vijftig centimeter,
en toch is het heel moeilijk om recht vanuit je hart te
spelen. Want daar huist de ziel.”
“Oprechtheid is voor mij een sleutelbegrip in de
muziek. Het heeft te maken met alles in jezelf toelaten,
óók je twijfels en angsten. Het betekent
dat je geen valse poses aanneemt om te imponeren. Veel
musici proberen alles al studerend onder controle te krijgen,
omdat ze geloven dat je jezelf niet kwetsbaar op mag stellen.
Maar muziek maken betekent ontvangen, geven en dienen.”
“Muziek betekent alles voor mij. In die zin is het
mijn ware religie. Muziek wijst mij de weg in het avontuur
om werkelijk mens te worden. [..] Ik ben geen masochist,
maar ik geloof in het nut van obstakels. Het grootste
doel dat een mens zich kan stellen is steeds opnieuw grenzen
verleggen, het zichzelf op de proef stellen, het overwinnen
van zichzelf. Weerstand prikkelt tot geboren worden. Om
met mijn lievelingsschrijver Antoine de Saint-Exupéry
te spreken: ‘Leven betekent langzaam geboren worden’.”

PIANO
BULLETIN , december 2002 (met Christo Lelie):
“In muziek, maar ook in het leven, ervaar ik alles
wat me overkomt als het beste.”
“Plankenkoorts, de menselijke kant van het spelen
– het vleselijke – is er altijd. Ik spreek
uiteraard alleen voor mezelf. Je kunt het niet overwinnen,
maar wel transformeren. Vlak voordat je opkomt voel je
je erg ongelukkig, je bent helemaal alleen, het lichaam
is zo present. Maar dat lichaam is toch je enige toegang
tot het hoogste, want met je lichaam moet je het podium
op. Daar word ik iedere keer weer mee geconfronteerd.”
“Het blijft onvoorspelbaar of de inspiratie komt.
Op momenten dat ik dacht: ik heb niets te vertellen, wat
moet ik nou, komt de inspiratie soms na de eerste frase
al. Dat geeft vertrouwen. Het omgekeerde komt ook voor:
als je in optimale omstandigheden bent, kan de inspiratie
achterwege blijven. Het is tekenend voor de onvoorspelbaarheid
van het leven. Sebök heeft me geleerd dat je niet
moet vechten maar moet accepteren. Dan kun je transformeren.”
[over Mozart:] “Van muziek is het zo mooi dat alles
dat ons daarin ontroert voorbij de dood reikt. Ik heb
het altijd een grote paradox gevonden dat muziek onlosmakelijk
verbonden is met de dood en deze tegelijk ontstijgt. Dit
heeft me altijd bezig gehouden, bijvoorbeeld als ik Mozart
speel. Ik wil echter niet zeggen dat de gedachte aan het
sterven een schaduw op de muziek werpt, want dat zou de
indruk wekken dat de dood altijd somber is, terwijl Mozart
gezegd heeft dat de dood zijn beste vriend is. Hij zag
het heel anders. [..] Hij wist in het donker het licht
te zien, in het kleine het grote, hij kon alles omdraaien:
de traan heeft altijd het licht in zich en het licht de
traan. Als ik me dit realiseer, kan ik alleen maar denken:
het leven is wonderbaarlijk, met alles erop en eraan.”

LUISTER,
januari 2003 (met Paul Janssen):
“Ik heb een sterke innerlijke stem waar ik altijd
aan vast heb gehouden. Het is een diep weten waar je naartoe
gaat. Al is dat voor mij eerder een weg dan een doel.
Ik heb geen vastomschreven doel dat ik wil bereiken. Het
is meer het leven optimaal leven zonder weerstand te bieden.
Muziek is daarin mijn werktuig, het middel om mijzelf
en daardoor anderen beter te leren kennen. Het is een
alles-of-niets-relatie. Dat kan niet anders: muziek verdraagt
geen halve beslissingen. György Sebök zei het
al: je kunt niet op twee stoelen tegelijk zitten.”

|